ИЛЬЯ ЧЛАКИ - DE DIAMANTWIJK (Алмазный квартал)

Поиск

Календарь

«  Апрель 2024  »
ПнВтСрЧтПтСбВс
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
2930

Дружественные сайты:

  • Международная Федерация русских писателей
  • Literatur Niedersachsen
  • Литературный журнал Edita
  • Статистика

    Среда, 24.04.2024, 05:36
    Приветствую Вас Гость
    Главная | Регистрация | Вход | RSS

              И Л Ь Я   Ч Л А К И

    DE DIAMANTWIJK (Алмазный квартал)

     

    vertaling: Maarten Tenbergen

     

     

    Het speelde zich af in dat deel van de stad waar de ene vakman diamanten slijpt en

    de andere deze, in perfect afgewerkte vorm, verkoopt. Daar waar je diamantbeurzen

    en diamantbanken vindt, waar onvoorstelbaar veel diamantwinkeltjes zijn en

    waar het leven enkel en alleen om deze mineralen draait.

    In deze wijk van Antwerpen, die speciaal lijkt afgeschermd van de rest van de

    wereld, staat een piepkleine, bijna poppenhuisachtige synagoge met glanzende

    glas-in-loodramen en een plakkaat naast de ingang waarop naar aanleiding van

    het Chanoekafeest de zotte spreuk geschreven staat: ‘Don’t tell G’d how big your

    problems are. Tell your problems How big G’d is!’ Het betreden van deze wijk vindt

    plaats onder de voortdurend waakzame blik van veiligheidsagenten en het alziend

    oog van videocamera’s. Voetgangers mogen zich hier zonder beperking ophouden,

    maar automobilisten dienen in het bezit te zijn van een speciaal pasje om de

    wijk in en uit te mogen. Er valt hier nogal wat te bewaken.

    Het was koud, net boven het vriespunt, en het miezerde.

    Toen zag ik hem en mijn hand tastte automatisch naar het fototoestel. Hij onderscheidde

    zich in niets van zijn omgeving: net zo’n lange grijze baard als vele anderen,

    net zo’n lange zwarte jas, net zo’n zwarte breedgerande hoed en net zulke

    schoenen. Net als zoveel anderen. Niets bijzonders, een doodgewone orthodoxe

    jood, zoals er heel wat rondlopen in Antwerpen. Ik werd getroff en door zijn pose.

    Of liever gezegd door de plek waar hij zich bevond. Hij zat in een smalle nis, die

    om esthetische redenen was uitgespaard in de gevel van een verder weinig in het

    oog vallend gebouw. In deze uit rode baksteen opgetrokken nis bevond zich een

    betonnen rand, die net genoeg plaats bood aan een mager persoon met niet al te

    brede schouders. En zo iemand was hij ook. De rug licht gebogen, de handen in de

    zakken van zijn jas.

    Ik pakte mijn fototoestel, legde mijn vinger op het knopje, glimlachte en vroeg

    met een gebaar of hij er geen bezwaar tegen had dat ik … En drukte af, zonder

    zijn antwoord af te wachten. Hij begon met zijn armen te zwaaien en riep in het

    Engels: ‘Ik zei toch, niet doen, geen foto’s van mij, geen foto’s!’ Ik probeerde hem al

    gesticulerend duidelijk te maken dat er niets aan de hand was en dat hij zich niet

    druk hoefde te maken. Ik liep op hem toe.

    ‘Ik vroeg toch om geen foto’s te maken!’ zei hij geergerd toen ik bij hem stond.

    ‘Kijk maar’, antwoordde ik, terwijl ik hem het schermpje van mijn toestel voorhield.

    Hij knikte ongeduldig, zonder naar het schermpje te kijken: ja ja, prachtig hoor.

    ‘Waarom heb je mij gefotografeerd, terwijl ik je vroeg om dat niet te doen!’

    ‘Ik kon geen weerstand bieden. Je zit er zo fotogeniek bij, net een levend beeldhouwwerk.’

    Hij keek me aandachtig aan. Mijn accent wekte zijn belangstelling.